Preferentie onder de EU-Mercosur overeenkomst: een formaliteit? Absoluut niet.

De afgelopen dagen ben ik mij verder aan het verdiepen in de nieuwe Interimovereenkomst tussen de EU en Mercosur en specifiek in de oorsprongsregels, attesten van oorsprong en de toepassing van preferentiële invoerrechten.

En eerlijk? Ik denk dat dit de komende tijd nog voor behoorlijk wat discussies gaat zorgen binnen onze branche.

Want op papier lijkt het allemaal overzichtelijk:

  • goederen met preferentiële oorsprong;
  • een attest van oorsprong;
  • preferentiecode in de aangifte;
  • lager invoerrecht.

Maar in de praktijk zit het risico juist in de details. En daar wordt het interessant.

“Even een oorsprongsverklaring meesturen” bestaat niet

Wat mij opvalt, is dat veel bedrijven de oorsprongsdocumentatie nog steeds behandelen als een administratieve bijlage in plaats van een juridisch en financieel risico.

Terwijl de Douane daar heel anders naar kijkt.

Een verkeerd attest van oorsprong betekent namelijk niet alleen dat de preferentie vervalt. Het kan ook leiden tot:

  • naheffingen;
  • rente;
  • correcties achteraf;
  • discussies over aansprakelijkheid;
  • en bij structurele fouten zelfs impact hebben op je compliance-profiel of AEO-positie.

Zeker nu onder de EU-Mercosur overeenkomst duidelijke formele eisen gelden aan de tekst van het attest van oorsprong.

En juist daar zie ik nu al dingen fout gaan.

“EU” is niet hetzelfde als “Nederland”

Een detail? Nee.

Onder deze overeenkomst moet de preferentiële oorsprong expliciet worden vermeld als:

  • “EU” of
  • “Mercosur”

Dus niet:

  • Nederland;
  • Brazil;
  • Uruguay;
  • of een combinatie daarvan.

Ook een dubbele oorsprongsvermelding zoals: “EU/Mercosur” is expliciet niet toegestaan.

Dat klinkt misschien als semantiek, maar binnen preferentiële oorsprong zijn dit geen cosmetische verschillen. Dit zijn formele vereisten.

En formele vereisten bepalen uiteindelijk of een preferentie geldig is of niet.

De praktijk is sneller dan de wetgeving wordt gelezen

Wat ik interessant vind aan dit soort nieuwe overeenkomsten, is dat de praktijk vaak al begint te draaien terwijl veel bedrijven de juridische basis nog amper hebben gelezen.

Er worden templates doorgestuurd. Facturen gekopieerd. Oorsprongsverklaringen hergebruikt. Forwarders nemen teksten over van klanten. Klanten nemen teksten over van leveranciers.

En ergens onderweg ontstaat dan een versie die “ongeveer klopt”.

Totdat iemand bij een controle vraagt: “Waar baseert u deze preferentie precies op?”

Dan wordt zichtbaar of het dossier daadwerkelijk inhoudelijk is beoordeeld — of alleen administratief verwerkt.

Hoe moet een attest van oorsprong er dan wél uitzien?

En precies hier zie ik het nu al misgaan.

Want veel exporteurs gebruiken:

  • oude templates;
  • teksten uit andere handelsverdragen;
  • of commerciële verklaringen die juridisch onvoldoende zijn.

Terwijl de overeenkomst exact voorschrijft welke tekst gebruikt moet worden.

De aanbevolen tekst luidt:

“The exporter of the products covered by this document (Exporter reference No….) declares that, except where otherwise clearly indicated, these products are of … preferential origin.”

En juist die punten tussen de regels zijn belangrijk.

Want daar moet correct worden ingevuld:

  • het registratienummer van de exporteur;
  • én de preferentiële oorsprong: ➡️ uitsluitend “EU” of “Mercosur”.

Dus niet:

  • Netherlands;
  • Brazil;
  • Argentina;
  • Uruguay;
  • of combinaties zoals EU/Mercosur.

Wat veel exporteurs nog niet weten

En hier wordt het interessant voor bedrijven die goederen vanuit Mercosur naar Europa exporteren.

Want exporteurs moeten zich onder deze overeenkomst feitelijk identificeerbaar maken richting de EU.

Argentinië

Exporteurs uit Argentinië moeten verplicht hun:

  • CUIT-nummer (Clave Única de Identificación Tributaria)

vermelden op het attest van oorsprong.

Daarnaast moet het attest voorzien zijn van:

  • naam exporteur;
  • én een handgeschreven, digitale of elektronische handtekening.

Controle van het CUIT-nummer kan via: https://seti.afip.gob.ar/padron-puc-constancia-internet/ConsultaConstanciaAction.do

Brazilië

Braziliaanse exporteurs moeten hun:

  • CNPJ-nummer (Cadastro Nacional da Pessoa Jurídica)

vermelden.

Daarnaast geldt:

  • naam exporteur verplicht;
  • plus digitale of handgeschreven handtekening.

Controle van het CNPJ-nummer: https://solucoes.receita.fazenda.gov.br/Servicos/cnpjreva/cnpjreva_Solicitacao.asp

Uruguay

Exporteurs uit Uruguay moeten hun:

  • RUT-nummer (Registro Único Tributario)

vermelden inclusief ondertekening.

Controle van het RUT-nummer: https://www.efactura.dgi.gub.uy/principal/factura-electronica-nomina-de-empresas?es

Paraguay

En Paraguay? Daar geldt voorlopig een volledig andere werkwijze.

Paraguay mag namelijk vooralsnog géén regulier attest van oorsprong opstellen.

Daar wordt uitsluitend gewerkt met: ➡️ officiële certificaten van oorsprong afgegeven door bevoegde instanties.

Dat betekent dus ook dat je als importeur, declarant of expediteur niet automatisch dezelfde documenten kunt verwachten vanuit alle Mercosur-landen.

De verantwoordelijkheid ligt niet alleen bij de klant

En dat vind ik persoonlijk een interessante discussie binnen ons vakgebied.

Want juridisch blijft de importeur verantwoordelijk voor het verzoek om preferentiële tariefbehandeling.

Maar in de praktijk kijken klanten wél naar hun douane-expediteur of customs afdeling voor guidance.

Daar ontstaat dus een spanningsveld.

Hoe ver ga je als declarant? Wanneer trek je een grens? Wanneer zeg je: “Dit document voldoet niet.”

En misschien nog belangrijker: hebben declaranten binnen organisaties daar voldoende ruimte voor?

Want compliance betekent soms ook: vertragen, terugduwen, of nee verkopen.

Het meest interessante deel? Het verzoek tot teruggaaf.

Wat veel bedrijven namelijk niet weten: ook wanneer bij invoer géén preferentie is toegepast, kan achteraf alsnog een verzoek tot teruggaaf worden ingediend.

Onder de EU-Mercosur overeenkomst geldt daarvoor een termijn van maximaal twee jaar na datum van invoer, mits:

  • de goederen op moment van invoer al voldeden aan de oorsprongsregels;
  • de juiste bewijsstukken alsnog kunnen worden overgelegd;
  • en het attest van oorsprong inhoudelijk correct is.

Dat maakt dossiervorming ineens een stuk belangrijker.

Want een fout bij invoer hoeft dus niet altijd definitief te zijn — mits het dossier inhoudelijk klopt.

En precies daar zit voor veel bedrijven nog een enorme winst.

Customs compliance verschuift steeds meer richting inhoudelijke advisering

Dit soort ontwikkelingen bevestigen voor mij opnieuw dat het vak van declarant al lang niet meer alleen draait om “een aangifte maken”.

De echte toegevoegde waarde zit steeds vaker in:

  • risico-inschatting;
  • interpretatie van regelgeving;
  • dossiercontrole;
  • en het durven stellen van kritische vragen.

Niet alles wat een klant aanlevert, is automatisch juist. Niet alles wat “altijd zo ging”, is compliant. En niet alles wat operationeel handig is, houdt stand bij een controle achteraf.

Juist daarom blijft kennis van oorsprong, preferentie en douanewetgeving essentieel — zeker nu internationale handelsafspraken steeds sneller veranderen.

En eerlijk? Dat is precies waarom ik dit vak na meer dan 20 jaar nog steeds interessant vind.

Omdat achter één regel op een factuur soms een compleet compliance-risico schuilt.

Bronnen: